Waarom archeologie?

Kerkhove en het Verdrag van Malta

De Europese archeologie is in grote mate bepaald door het Verdrag van Valletta, ook wel bekend als het Verdrag van Malta. Dit verdrag uit 1992 benadrukt de kwetsbaarheid van het archeologisch bodemarchief. Overal in Vlaanderen vindt men in de ondergrond sporen van het menselijke verleden. Graafwerken van eender welke aard, hebben een impact op de bodem en bijgevolg ook op mogelijke archeologische resten. Naar de geest van Malta worden zones met een hoog archeologisch potentieel zoveel mogelijk gemeden bij ontwikkelingsprojecten. Alles blijft dan veilig en wel bewaard in de bodem (zogenaamde bewaring in situ).

Behoud in situ is niet altijd mogelijk of opportuun: archeologie is natuurlijk meer dan het beschermen van archeologisch erfgoed alleen, het blijft ook de taak van iedere archeoloog op zoek te gaan naar kennis rond die aspecten uit het verleden waarover we tot dusver slecht zijn ingelicht. Met de juiste wetenschappelijke vraagstelling is het dus verantwoord om archeologisch onderzoek uit te voeren. Bij voorkeur wordt dit onderzoek gekoppeld aan grote  bouwprojecten waarbij verstoring van de bodem sowieso onvermijdelijk is. Vandaag is het meeste archeologisch onderzoek in Vlaanderen dan ook preventief en voorafgaand aan bouwactiviteit of verkaveling. Het project in Kerkhove, met de bouw van een nieuwe stuw op de Schelde is hiervan een mooi voorbeeld.

Meer dan opgraven alleen

Wanneer in situ bewaring niet mogelijk of aangewezen is, maakt de archeoloog een ex situ bodemarchief aan in de vorm van een uitgebreid rapport. Tijdens het opgraven worden artefacten en gebruiksvoorwerpen verzameld, minder mobiele resten zoals grachten, waterputten, haardkuilen of houten of stenen constructies worden minutieus geregistreerd, gedocumenteerd en bemonsterd. Dit terreinwerk staat vaak centraal in de beeldvorming rond archeologie, maar is in feite slechts een fractie van het volledige archeologische onderzoek. Het eigenlijke werk begint al veel vroeger met het archeologisch vooronderzoek: een evaluatie het archeologisch potentieel van de betrokken percelen via veldprospectie, boringen, een luchtfotografische prospectie, literatuur onderzoek of zelfs een archivalisch onderzoek. Ook na het opgraven blijft er een lange weg te gaan richting volwaardig rapportage: data worden geanalyseerd en vergeleken, hypotheses worden geformuleerd en getoetst, … allemaal essentiële stappen in het archeologisch proces, die vaak evenveel of zelfs meer tijd in beslag nemen dan het veldwerk zelf.

Clio’s lab

Archeologen doen graag beroep op een brede waaier van hulpwetenschappen zoals geschiedenis, antropologie, studie van munten … Ook de natuurwetenschappen steken een handje toe: dankzij geologie en geografie kan men een afzonderlijke situeren binnen een breder landschappelijk en geografisch kader; de studie van plantresten (archeobotanie) en dierlijk botmateriaal (archeozoölogie) laten toe het voedingspatronen van eventuele bewoners te reconstrueren net als de fauna en flora op en rond de site. In een verder stadium kunnen deze gegevens zelfs bijdragen tot bredere discussie rond klimaat en milieu; de studie van menselijke skeletresten (fysische-antropologie) vertelt dan weer over rituelen en begraving, maar levert ook informatie op rond levenskwaliteit en voeding. Doorheen het gehele proces van vooronderzoek tot rapportage wordt er meer en meer gebruik gemaakt van moderne technologieën zoals fotografische technieken en nieuwe methodes voor afstandswaarneming.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s