Pollenalarm: rode kornoelje en vlier

In vorige berichten hadden we het al over de hazelaar, de els en de berk. Tijdens de zomermaanden zoeken we het stuifmeel wat lager bij de grond. De zomer en dan vooral juli is de bloeitijd van verschillende struiken.  In dit bericht nemen we de vlier en de rode kornoelje onder de loep. We keren terug in de tijd en gaan op zoek naar sporen van deze planten in de bodem. En wat blijkt? Al tijdens de prehistorie groeiden vlier en rode kornoelje welig langs de Scheldeoever in Kerkhove…

De vlier is een plant uit de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). Zijn eivormige en lang toegespitste blaadjes zijn weinig opvallend. Wel herkenbaar zijn de bloemen en de vruchten van de vlier. Van mei tot juli draagt de vlier geelwitte bloemen. Deze aangenaam geurende bloemen trekken allerlei insecten aan die ook instaan voor de bestuiving. In september en oktober vind je de typische blauwzwarte bessen aan de vlier. Botanisch gezien zijn deze bessen steenvruchten. De plant vermeerdert zich door het verspreiden van de vruchtsteen door vooral spreeuwen, die dol zijn op vlierbessen.
De rode kornoelje behoort dan weer tot de kornoeljefamilie (Cornaceae) en heeft een donkergroen eivormig blad. Opvallend is de donkerrode kleur van de twijgen, waaraan de plant ook zijn naam dankt. De rode kornoelje heeft in het oog springende kleine witte bloemen met vier uitstaande kroonblaadjes, vier kelkblaadjes en vier meeldraden. Ze verschijnen een eerste keer in de zomer, soms gevolgd door een tweede bloeiperiode in de herfst. Ook hier zorgen bijen en andere insecten voor bestuiving. Net als de vlier draagt de rode kornoelje in het najaar glanzend zwarte bessen met vruchtsteen.
Planten die door insecten bestoven worden, zoals vlier en kornoelje, steken meer energie in het maken van aantrekkelijke bloemen, maar produceren veel minder pollen. De kans dat een pollenkorrel op de juiste bloem terechtkomt via een insect is immers veel groter dan via de wind. Daarom is de kans op allergieën ook veel kleiner, en het is dan ook niet verwonderlijk dat de rode kornoelje en de vlier nauwelijks voorkomen in pollendiagrammen. Ook in Kerkhove is dit het geval. Enkel van de vlier zijn er een aantal verspreide pollenkorrels aanwezig uit het Atlanticum en de Romeinse periode. Dat wil niet zeggen dat deze planten niet belangrijk waren in het landschap langs de Schelde. Maar, macroresten in de vorm van zaden en vruchten zijn in dit geval een betere indicator. De kogelvormige pit van rode kornoelje heeft een diameter van 4 à 5 mm en worden dus makkelijk herkend tijdens het zeven. Zo hebben we uit Kerkhove tientallen voorbeelden uit de prehistorie, meestal niet verkoold maar soms ook verkoold. De steenvruchten van vlier zijn net iets kleiner. Toch vinden we in Kerkhove pitten van de vlier in de prehistorische bodem, de Romeinse grachten en de middeleeuwse overstromingsklei: meer dan honderd stuks in totaal. We kunnen dan ook stellen dat de vlier al meer dan 10 000 jaar aanwezig is in de Scheldevallei.
De bladeren van de vlier zelf zijn giftig en slechts door enkele dieren waaronder het edelhert verteerbaar. De bessen zijn wel eetbaar en de vlier is ook de ideale gastheer voor de judasoorzwam een eetbare paddenstoel die vermoedelijk ook al tijdens de prehistorie werd geconsumeerd. De bloemen en bessen van de vlier worden in de keuken gebruikt, en zijn natuurlijk al sinds mensenheugenis gekend om hun medicinale krachten: Hippocrates roemde tijdens de 5de eeuw voor Christus de urinedrijvende krachten van de vlier, terwijl de bekende botanicus Dodoens in de 16de eeuw dan weer doorging op de laxerende en ontzwellende eigenschappen. Al van de Romeinse periode wordt van vlierbessen hoestsiroop gemaakt. In de 18de eeuw maakte de Europese Grand Chic zelfs gebruik van vlierbloesemwater om de huid te bleken. De met merg gevulde jonge loten van de vlier zijn dan weer uitstekend geschikt om fluitjes en blaaspijpjes van te maken.
Tijdens de middeleeuwen en later werd de vlier in bossen geweerd omdat ze economisch niet interessant was en alleen maar ruimte innam. Vlier werd dan ook aangeduid als ‘mortbois’ (dood hout), en mocht net als sprokkelhout door iedereen zonder bezwaar worden gekapt. Naar Germaanse traditie werd vlier ook vaak aangeplant nabij huizen, bakhuizen en stallingen; vanwege het gebruik in de keuken, maar ook omdat de vlier zou beschermen tegen vuur, bliksem en boze heksen of tovenaars.
De bessen van de rode kornoelje zijn bitter van smaak en van weinig nut in de keuken of de apothekerskast. Vaak vinden we de plant terug in traditioneel vlechtwerk en hagen gebruikt als perceelgrens of veekering. De afgevallen herfstbladeren werden tot in de negentiende eeuw gebruikt als meststof voor de akkers. In de buurt van molens werd de rode kornoelje vaker geplant aangezien het hout werd gebruikt voor kleine molenonderdelen. In 1978 werd in het Nederlandse Bergschenhoek bij archeologisch onderzoek vijf visfuiken aangetroffen van zo’n 6000 jaar oud. De fuiken waren gemaakt uit twijgen van de rode kornoelje. De twijgen waren met elkaar verbonden door een lang doorlopend touw, dat gemaakt is van een vezelachtig materiaal. Het gewicht van de bedekkende grond had de fuiken volledig plat gedrukt, maar in oorsprong hadden ze allemaal de vorm van een sigaar. Daarmee doen ze denken aan de houten ‘aalkubben’ die tot zo’n 100 jaar geleden werden gebruikt, en in feit ook aan de hedendaagse geweven visfuiken. Het principe van al deze visvallen is vrij eenvoudig: door de trechtervormige opening konden de vissen in de fuik zwemmen; eenmaal in de fuik was er geen weg meer terug.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s