Gone with the wind: wat leert ons fossiel stuifmeel?

DSC_0045

De interactie tussen mens en landschap is de rode draad van het onderzoek in Kerkhove. Om het vroegere landschap te reconstrueren kloppen we als archeologen aan bij diverse natuurwetenschappers. Tijdens het terreinwerk nemen we daarom continu bodemstalen die in diverse gespecialiseerde laboratoria worden bestudeerd op de aanwezigheid van resten van planten, insecten en gewervelde dieren. In dit bericht laten we Annelies Storme aan het woord, de palynologe van het team. Zij analyseert de bodemstalen op de aanwezigheid van fossiele stuifmeelkorrels van planten. Deze stuifmeelkorrels, beter bekend als pollen, zijn een uitzonderlijke informatiebron voor veranderingen in begroeiing en vegetatie door de eeuwen heen.

«Palynologie start van het basisprincipe dat alle planten in het landschap pollen of stuifmeelkorrels produceren», aldus Annelies Storme. «De vorm van die korrels is steeds typisch voor een bepaalde groep van planten. Pollen worden verspreid door wind, insecten of water. Sommige korrels komen terecht op een bloem van dezelfde soort en zorgen via bevruchting voor een zaadje dat later kan ontkiemen en een nieuwe plant voortbrengen. Het grootste deel van de pollen komt echter elders terecht. Meestal vergaat de korrel, maar als die in een natte depressie terechtkomt, blijft die soms bewaard in het sediment. Het zijn die pollen die worden gerecupereerd bij archeologisch onderzoek en via palynologische analyse inzicht kunnen geven in de evolutie van het vroegere landschap. Het is belangrijk om te benadrukken dat palynologie niet altijd een exact beeld kan geven van de vegetatie op een bepaalde plaats, op een bepaald moment in het verleden, maar ze kan zich wel uitspreken over veranderingen in de vegetatie doorheen de tijd.»

Tijdens het terreinwerk is het belangrijk voldoende en met veel zorg te bemonsteren. Voor palynologie worden doorgaans enkel sedimenten bemonsterd die rijk zijn aan organisch materiaal, omdat deze de beste kans geven op goed bewaarde stuifmeelkorrels. Op het terrein vinden we die in de opvulling van depressies in het landschap zoals oude riviergeulen en grachten. In Kerkhove zijn het vooral de prehistorische voorlopers van de Schelde die zorgden voor de afzetting van sedimenten, en dit vanaf het Finaal-paleolithicum zowat 13 000 jaar geleden. Ook de opvulling van de grachten langs de Romeinse weg zijn interessant voor de reconstructie van vegetatie tijdens de Romeinse periode en kort daarna.

De bemonstering van deze lagen gebeurt door  een ‘pollenbak’ in het profiel te slaan en nadien uit te snijden zodat een verticaal staal van de bodemopbouw genomen wordt. Zo’n pollenbak is in feite niets meer dan een U-profiel in aluminium, waarbij vaak gebruik wordt gemaakt van zogenaamde metalstuds voor de opbouw van een gipsplaatwand. De pollenbakken worden vervolgens ingepakt en hermetisch afgesloten met huishoudfolie en gekoeld om optimale bewaring van de pollen en andere organische resten te verzekeren.

«Met die monsters gaan wij dan verder aan de slag», vertelt Annelies.  «Het staal uit een pollenbak wordt verder bemonsterd door op regelmatige tussenafstanden een staal van ongeveer 1 ml te nemen. Concreet proberen we voor ieder relevant en pollenrijk laagje in de bodem minstens één staal te voorzien. Deze stalen worden in het palynologisch labo verder voorbereid voor onderzoek: kalk, zand, klei, humus en grof organisch materiaal worden verwijderd door zeven en behandeling met zuren en basen. Zo verkrijgt men een residu dat onder een lichtmicroscoop op 400 x vergroting bestudeerd kan worden.»

«Microscopisch kunnen we pollen meestal tot op het niveau van het geslacht determineren, soms zelfs tot op het niveau van de soort. Eens het pollentype is bepaald, worden de verschillende pollenkorrels minutieus geteld. Het resultaat is een pollendiagram, een schematische voorstelling van de verhoudingen tussen de verschillende pollentypes. Uit dit diagram kunnen we afleiden  welke planten voorkomen in het oorspronkelijke landschap en wanneer bepaalde nieuwe soorten hun intrede doen. Wanneer we dit herhalen voor verschillende diepteniveaus of perioden in de tijd, krijgen we zicht op de evolutie van landschap en vegetatie door de eeuwen heen.»

Wat vertellen fossiele pollen ons nu over het vroegere landschap in Kerkhove? De prehistorische nederzetting die we vandaag onderzoeken in Kerkhove situeert zich op een stroomrug in de overstromingsvlakte van de oude Schelde. Tijdens de laatste ijstijd was deze overstromingsvlakte een ongure plek om te wonen: een open landschap begroeid met voornamelijk grassen, waarin wind vrij spel had. Op dat moment treffen we dan ook enkel jagers-verzamelaars aan buiten de overstromingsvlakte (oa. op de Waarmaardse kouter). Bij het begin van het Holoceen (rond 11 800 jaar geleden) verandert de vegetatie wanneer het klimaat stilaan warmer wordt. In Kerkhove verschijnen met berk en den de eerste bomen. Later, in het Boreaal verschijnen ook de hazelaar, iep en eik. Een gemengd loofbos ontstaat. Het is in deze periode dat de eerste jagers-verzamelaars verschijnen op de stroomrug in Kerkhove. Hun kamp bevond zich op een droge plek langsheen een reeds grotendeels verlande riviergeul. Tijdens het Atlanticum (9000-5500 jaar geleden) wordt het klimaat in onze gewesten milder maar ook natter. Dit zien we ook aan de vegetatie: rietkragen breiden uit en de els, een boomsoort die gedijt in nat of zelfs moerassig gebied, verschijnt en vormt een dicht elzenbroekbos. Geleidelijk wordt ook de stroomrug nat, waardoor die niet langer geschikt voor bewoning is.

Ook tijdens de Romeinse periode blijven els en eik de dominerende boomsoorten: els in de laagste, natste delen, eik op de hogere delen van het landschap. Ten laatste tijdens de Romeinse tijd was de volledige overstromingsvlakte dan ook in een veenmoeras omgevormd. De bewoning in Kerkhove verplaatste zich noodgedwongen naar de hoger gelegen kouter, waar de Romeinen een baanpost of mansio oprichtten. De stroomrug, een relatief droog eiland in het veenmoeras, deed mogelijk dienst als weiland. Zo zien we in het pollendiagram een sterke toename van struiken, grassen en kruiden. Ook vinden we Cerealia of granen terug die wijzen op akkerbouw in de onmiddellijke omgeving.

De komende maanden wordt het palynologisch onderzoek verder gezet. Hierbij zullen een aantal perioden in de tijd meer in detail worden uitgewerkt. Meer stuifmeel volgt dus in één van de volgende berichten!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s